In het kort:
Het beloningsbeleid van de overheid tussen 1994 en 2023 leidde tot systematische ongelijkheid bij het vaststellen van startsalarissen voor rechters in opleiding.
- Vrouwen kregen gemiddeld 3,5 procent lager startsalaris dan mannelijke collega's, omdat het salaris werd gebaseerd op het laatstverdiende loon.
- In een individueel geval ontving een mannelijke rechter maandelijks bruto 1914,65 euro meer dan zijn vrouwelijke collega met nagenoeg dezelfde werkervaring.
- De methode trof vooral vrouwen omdat zij gemiddeld een lager salaris hebben in voorgaande functies.
Het grote plaatje:
De Staat beargumenteerde dat de methode transparant en in overeenstemming met sociale partners was, maar het College oordeelde dat het doel ook met minder discriminerende middelen bereikt had kunnen worden. De overheid heeft inmiddels een nieuw inschalingsbeleid ingevoerd waarbij niet meer naar het laatstverdiende loon wordt gevraagd.
Wat volgt:
Het College roept de Staat op om te onderzoeken of gedupeerde rechters compensatie kunnen krijgen, maar kan dit niet afdwingen. De zaak werd aangespannen door een stichting en drie individuele rechters.



