In het kort:
De Hongaarse verkiezingen van 12 april onthullen een pijnlijke paradox: waar Hongarije in 1956 opstand kwam tegen Moskou, lobbyt de huidige regering nu voor Rusland.
- Gelekte gesprekken tonen aan dat minister Szijjártó voor Moskou lobbyde om sancties op te heffen en strategische EU-informatie doorspeelde aan Lavrov.
- Orbán presenteert Rusland als belangrijke partner voor goedkope olie en wuift de Oekraïense strijd voor onafhankelijkheid weg.
- Schrijver Rudolf Ungváry (89), veteraan van de opstand, stelt dat de regering "de nagedachtenis van de slachtoffers schendt".
Het grote plaatje:
De verkiezingsstrijd draait om Hongarije's positie tussen Oost en West, waarbij Orbán president Zelensky als zondebok gebruikt.
- Orbán-aanhangers vinden het logisch om bevriend te blijven met Moskou: "Het loont de moeite om op goede voet te staan met grootmachten," zegt ingenieur Daniel.
- Anti-Orbán-demonstranten scanderen dezelfde leus als in 1956: 'Ruszkik Haza!' - Russen naar huis.
De onderste regel:
Voor veteraan Ungváry bepalen deze verkiezingen of de revolutie van 1956 symbolisch alsnog wint: "Als de oppositie wint, wordt Hongarije weer een gezonde democratie."



